Bijlage bij de pagina vervolg oorlogsjaren Carel-Willem de Groot

April-mei-staking 1943

Tegen het in krijgsgevangenschap roepen van militairen: De vrijwel vergeten staking van 1943
Tijdens de oorlog hebben arbeiders niet heel vaak gestaakt. Dat was te gevaarlijk. De bezetter had al enkele dagen na de overgave door de Nederlandse regering een verbod op stakingen uitgevaardigd en de meeste mensen hielden zich daaraan. Weliswaar zijn er enkele voorbeelden bekend van kleinere acties die nauwelijks tot repressie leidden, maar na de Februaristaking van 1941 was dat vrijwel afgelopen. Duidelijk was dat de Nazi’s evenals in eigen land iedere staking met grof geweld zouden neerslaan.
Toch is er een heel grote, bijna algemene staking geweest die nauwelijks bekend is. De Februaristaking wordt terecht ieder jaar groots herdacht , maar de staking waar ik nu op doel moet het met heel wat minder doen. Omdat het centrum van de actie niet in de hoofdstad lag? Omdat de staking geen speelbal van politieke belangen is geworden? Omdat de werknederlegging vooral op eigen belang was gericht? Wat de reden ook is, het 75-jarig jubileum is een goede aanleiding er ook hier extra aandacht aan te schenken. Zoals ook de NOS op 4 mei na dodenherdenking de staking in herinnering zal roepen. En niet te vergeten de anonieme herdenkingen die sinds enkele jaren plaatsvinden in Hengelo onder de naam van Iser Koeperman.
De uitbraak
Het is op 29 april exact 75 jaar geleden dat in Twente de arbeiders het werk neerlegden. Om precies te zijn bij de Machinefabriek Gebr. Stork & Co. In Hengelo. Zij reageerden daarmee op een proclamatie van General der Flieger Fr. Christiansen, de Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden die aan het begin van de middag een proclamatie had doen uitgaan. Hierin stond een strafmaatregel voor de voormalige soldaten van het Nederlandse leger. Dezen waren na de overwinning van de Duitsers in vrijheid gesteld in de hoop dat zij zich zouden onthouden van verzet tegen de nieuwe machthebber. Het was echter gebleken dat zeer velen zich niet aan die voorwaarde hadden gehouden en daarom beval Christiansen dat zij allen weer in krijgsgevangenschap zouden terugkeren. Op plaatsen waar nog voorzichtige restanten bestonden van de vooroorlogse onderlinge verbondenheid van arbeiders barstte het verzet vrijwel direct spontaan los. Achteraf was niet meer na te gaan wie de stoot tot neerleggen van het werk heeft of hebben gegeven, maar dat dit vooral vakbondsactivisten waren staat wel vast.
Dat was in eerste instantie bij de reeds genoemde fabriek, waarover de geschiedschrijver van de staking in 1950 schreef: ‘Het is een vaststaand feit, dat na Generaal Christiansen’s bekendmaking van Donderdagmiddag 29 april 1943, de eerste stakingen hier te lande in Twente begonnen. Wij kunnen het begin van de staking zelfs nog nauwkeuriger lokaliseren: het werk werd het eerst neergelegd bij de Machinefabriek Gebr. Stork & Co. N.V. te Hengelo, kort na schafttijd, ’s middags tussen twee uur en half drie. (P.J. Bouman, De april-mei-stakingen van 1943, ’s-Gravenhage 1950, p. 47).
Daarna verspreidde de staking zich als een olievlek over het land, hoewel op sommige plaatsen, zoals bij Philips in Eindhoven, de staking vrijwel gelijktijdig en onafhankelijk begon. Hier dus geen pamflet van communisten dat de lont in het kruitvat stak zoals het beroemde Staakt!!!Staakt!!!Staakt!!! manifest van februari 1941. Ook was er geen sprake van een centraal commando zoals de oproep van de regering in ballingschap die in 1944 de arbeiders van de spoorwegen aanzette tot een massale en langdurige staking. De staking die op 29 april 1943 uitbrak was een uiting van een massaal gevoelde woede die leidde tot het neerleggen van het werk. Soms in navolging van anderen die men over straat zag lopen, soms zonder ook maar de geringste kennis te hebben van de acties van mede arbeiders in andere bedrijven.
Enkele malen in de geschiedenis van Nederland is een algemene staking uitgeroepen door de vakbeweging. Denk aan de tweede spoorwegstaking van 1903 of de 1 uursstaking van 1970 tegen een loonmaatregel van de regering, maar nooit was de massaliteit zo overweldigend als op die voorjaarsdagen in 1943. Honderdduizenden volgden hun solidariteitsgevoel met de jongens en mannen onder hen die weer in krijgsgevangenschap zouden worden gevoerd en ongetwijfeld een moeilijke tijd tegemoet gingen. Bij zijn boek voegde Bouman enkele kaarten van Nederland waarop de regionale verspreiding te volgen is.
Massale deelname
Voor een geschiedschrijver is het meestal ondoenlijk om alle details achteraf te reconstrueren. Dat blijkt uit het volgende. Onder de honderdduizenden stakers waren ook vele honderden misschien wel duizenden deelnemers in een klein industriestadje als Delft. Hoe betrouwbaar die aantallen zijn is moeilijk achteraf te bepalen. Bouman noemt een aantal van 3.200 voor de stad van Calvé en de Gist- en Spiritusfabriek maar dat aantal komt niet overeen met de aantallen die worden genoemd in het archief van de plaatselijke Gemeentepolitie (Stadsarchief Delft, inv. 147, archiefnummer 575). In dat archief worden andere aantallen genoemd. Geen 900 bij de Gistfabriek maar 368 van de in totaal 700 arbeiders, geen 300 bij de Lijm- en Gelatinefabriek maar 192 en geen 400 bij Calvé maar 235. De politielijst geeft aan dat bij elf bedrijven door 2.087 arbeiders is gestaakt. Een kleiner aantal dan Bouman geeft, maar nog steeds een respectabele hoeveelheid mensen die een of enkele dagen uiting gaven aan een geest van verzet.
Al kloppen de aantallen niet helemaal, de beschrijving van de staking in Delft is wel in overeenstemming met het politieverslag. Daar is sprake van het begin der staking op 30 april om 10.30 uur bij de Nederlandsche Kabelfabriek nadat zij bericht hadden ontvangen dat in Alblasserdam het werk was neergelegd. Zij verlieten de fabriek waarop de arbeiders van nabij gelegen metaalfabrieken ook naar buiten kwamen. Hun aanwezigheid op straat verleidde ook de arbeiders van andere fabrieken tot deelname. Als laatste sloot de Porceleyne Flesch zich aan, om 7 uur ’s ochtends op 1 mei. De staking had zijn hoogtepunt bereikt en of het er nu 3.200 of 2.100 waren, er waren veel deelnemers.
En zo ging het in veel steden en dorpen. Alleen de grote steden bleven achter. Den Haag omdat daar het machtsvertoon van de bezetter zo overweldigend was dat men zich had leren beheersen. Daar werd vooral gestaakt door de meisjes van de telefooncentrales en de typekamers. Rotterdam omdat daar na het bombardement van 14 mei 1940 een soort angstpsychose heerste, een angst die nog werd versterkt toen de Duitsers direct versterkingen lieten aanrukken na de eerste aarzelende stakingen. Ook in Amsterdam werd wel gestaakt, maar deze stad bewaarde nog de herinnering aan de Februaristaking die met grof geweld was onderdrukt. Nee, de staking van april-mei was er vooral een van de middelgrote plaatsen en het platteland.
Dat laatste kwam tot uitdrukking in het feit dat ook zeer veel boeren in staking gingen, waardoor er weinig melk aan de fabrieken werd afgeleverd, reden waarom de april-meistaking ook wel bekend is geworden als de ‘melkstaking’. Overigens staakte men ook in het Westland massaal, dus we kunnen met een gerust hart de tuinders aan de boeren toevoegen als het om deelnemers aan het verzet gaat.
Al kloppen de cijfers van Bouman niet altijd exact met andere gegevens, de verdeling die hij geeft van de fabrieksstaking in het land geeft ongetwijfeld een goed indicatie voor de landelijke verspreiding.
Overijssel 25.193
Groningen 2.550
Brabant 36.362
Utrecht 2.365
Zuid-Holland 15.452
Friesland 1.182
Noord-Holland 12.720
Drenthe 950
Limburg 6.105
Zeeland 450
Gelderland 5.275
Nederland (totaal) 108.604
Een totaal van 108.604, welk aantal we met een gerust hart kunnen verdubbelen gezien de lijst van bedrijven waar gestaakt werd, maar waarvan Bouman geen aantallen geeft.
Het ging hier om een met recht nationaal te noemen staking. Ook in Brabant bijvoorbeeld bij de Philipsfabrieken in Eindhoven en diverse fabrieken in het nabij gelegen Helmond legde men massaal het werk neer. Of in Limburg bij de mijnen. In totaal waren er naar schatting enkele honderdduizenden mensen in staking.
Het einde der staking
De ernst van de situatie was de bezettende macht al snel duidelijk. Reeds op 30 april, nadat vanuit alle provincies berichten binnen kwamen van de uitbreiding der staking, kondigde de hoogste SS-baas Rauter het standrecht af. Her en der werden tientallen mensen (vrijwel) zonder enige vorm van proces gefusilleerd. Een zeer treurige gebeurtenis vond plaats te Marum in Groningen. Op geruchten dat er barricades waren opgericht (in werkelijkheid was een omgehakte boom over de weg gevallen) kwam de Sicherheits Dienst (SD) naar het dorp en executeerde 17 personen. Vier arbeiders van scheepswerven in Hardinxveld kregen de kogel. De lijst kan moeiteloos worden aangevuld met andere voorbeelden van Duits geweld.
Dit harde optreden maakte per 3 mei een einde aan de staking hoewel op sommige afgelegen plaatsen het verzet nog doorging, zoals in Friesland en Noord-West Brabant waar de laatsten pas op 7 mei weer aan het werk gingen. Uit diverse bedrijven kwamen ook berichten dat de staking werd voortgezet met sabotageacties. Maar het openlijke, massale verzet was voorbij. Himmler bedankte Rauter en zijn mannen uitbundig voor het neerslaan van het verzet. De bezetter maakte van de verslagenheid gebruik door het nemen van een aantal maatregelen die duidelijk moesten maken wie de baas was in Nederland. Studenten die hadden geweigerd een loyaliteitsverklaring te tekenen aan het bewind moesten zich melden, mannen in de leeftijd van 18 tot 35 jaar dienden zich te melden voor de Arbeidsinzet en tenslotte volgde op 13 mei het bevel tot inlevering van radiotoestellen. De Duitse hoop het Arische broedervolk aan zijn zijde te kunnen krijgen was de bodem ingeslagen.
De staking heeft geen enkel concreet resultaat opgeleverd, maar wel een psychologisch: de geest kreeg hierdoor een impuls voor verder verzet tegen de Duitse bezetting. Voor de tweede keer hadden Nederlanders massaal laten zien niet gediend te zijn van vreemde overheersing.
Sjaak van der Velden
April/mei 2018

Citaten uit het boek van A.T.W. de Kluis, dominee in het kamp te Mühlberg over het leven van de gevangenen en het gedrag van de Duitse Wehrmacht. Het kamp stond onder hun bevel en niet van de SS, zoals dat in de concentratiekampen het geval was 

Omslag van het boek

 

 

Regelmatig moest een groep krijgsgevangenen verhuizen naar een ander  kamp. Onderofficieren, zoals onze vader, die sergeant was, konden niet verplicht worden tot het verrichten van arbeid voor de Duitsers volgens de Conventie van Geneve, behalve werk binnen het kamp zelf. Maar regelmatig probeerden de Duitsers toch om de gevangenen tot arbeid buiten het kamp te bewegen. O.a. door te dreigen dat ze anders naar een kamp in Polen, niet zijnde een concentratiekamp,  getransporteerd zouden worden. De Duitsers hadden een groot gebrek aan arbeiders, op alle niveaus, want de  Duitse mannen waren immers in krijgsdienst en vochten aan het front. Onderstaand wat het voor de gevangenen betekende om naar een ander kamp te moeten:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

reageren: de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

xxx